Welke verzekeringstussenpersonen moeten theoretische kennis van de antiwitwaswetgeving bewijzen en hoe ?

Wie? De theoretische kennis van de antiwitwaswetgeving vereist door de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen moet bewezen worden door:
  1. De makelaars en niet-exclusieve agenten die bemiddelen in producten ‘leven’
  2. De subagenten die werken onder de verantwoordelijkheid van een makelaar of een niet-exclusieve agent en die bemiddelen in producten ‘leven’
  3. De verantwoordelijken voor de distributie en de personen in contact met het publiek die in naam en voor rekening van een tussenpersoon bedoeld in a of b, bemiddelen in producten ‘leven’

Ten aanzien van personen in contact met het publiek die sinds 1 januari 2015 voor het eerst deze functie uitoefenen, zal de FSMA nog meer aandacht hebben voor het bewijs van hun technische kennis van de antiwitwaswetgeving. 

Hoe? Kennis van de antiwitwaswetgeving wordt bewezen met:

  • een masterdiploma of een daarmee gelijkgesteld diploma;
  • een bachelorsdiploma met 11 studiepunten in verzekeringen en 3 studiepunten bedrijfsbeheer of een daarmee gelijkgesteld diploma;
  • een attest van slagen in een test na het volgen van een door de FSMA erkende cursus vóór 1 januari 2015 over de antiwitwaswetgeving;
  • een attest van slagen in een door de FSMA erkend examen inzake de antiwitwaswetgeving. 

De wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten legt aan dezelfde tussenpersonen ook de verplichting op om hun medewerkers voldoende te vormen en hen vertrouwd te maken met deze reglementering en de praktische toepassing ervan. De FSMA is bevoegd om na te gaan hoe zij deze verplichting hebben ingevuld. 

Zijn niet verplicht om het bewijs te leveren van hun theoretische kennis inzake de antiwitwaswetgeving :  

  • Exclusieve verzekeringsagenten die bemiddelen in producten 'leven', hun verantwoordelijken voor de distributie, hun personen in contact met het publiek en hun subagenten. De verzekeringsonderneming die zij vertegenwoordigen moet hen vormen in deze materie. De verzekeringsonderneming moet aantonen hoe zij deze verplichting heeft ingevuld;
  • Tussenpersonen, verantwoordelijken voor de distributie en personen in het contact met het publiek die niet actief zijn in levensverzekeringstakken.