Wat houden de verplichting tot doorlopende waakzaamheid en de opsporing van atypische verrichtingen (antiwitwasbestrijding) in?

De doorlopende waakzaamheid, waarvan de intensiteit evenredig moet zijn met het geïdentificeerde risiconiveau voor de zakelijke relatie, houdt een aandachtig onderzoek door de onderworpen entiteiten in van de verrichtingen die gedurende de zakelijke relatie zijn uitgevoerd, alsook, indien nodig, van de oorsprong van de geldmiddelen. Bedoeling van dat onderzoek is te verifiëren of deze verrichtingen stroken met de kenmerken van de cliënt, met het doel en de aard van de zakelijke relatie en met zijn risicoprofiel.

De entiteit moet procedures invoeren die het mogelijk maken:

  1. atypische verrichtingen op te sporen;
  2. de identificatie en identiteitsverificatie van de cliënten, hun lasthebber(s) en hun eventuele uiteindelijke begunstigde(n), alsook de gegevens over de kenmerken van de cliënt en het doel en de aard van de zakelijke relatie te actualiseren.

Voor de opsporing van de atypische verrichtingen moeten de betrokken entiteiten een aandachtig onderzoek uitvoeren van de verrichtingen die hun door hun cliënt in het kader van hun zakelijke relatie wordt gevraagd, en verifiëren of deze verrichtingen normaal zijn / met het vastgestelde profiel van de cliënt stroken door ze met dat profiel te vergelijken.

De atypische verrichting moet worden gemeld aan de AMLCO, die zal beoordelen of de verrichting als verdacht kan worden gekwalificeerd. Onder zijn verantwoordelijkheid wordt een schriftelijk verslag opgesteld. Als er een vermoeden bestaat, vindt er een melding aan de CFI plaats. Zoals de CFI vermeldt, kan het vermoeden bijvoorbeeld voortvloeien uit een geheel van verrichtingen die, afzonderlijk genomen, geen vermoedens zouden hebben doen rijzen en die betrekking hebben op geldmiddelen die geen aanleiding hebben gegeven tot vermoedens, maar die door het feit dat ze achtereenvolgens of gelijktijdig plaatsvinden, toch in verband blijken te kunnen worden gebracht met witwassen van geld of financiering van terrorisme.

Verloop van de follow-up van een atypische verrichting binnen een onderworpen entiteit

Het is belangrijk te onthouden dat, bij een melding,

- de melder bescherming geniet, in de vorm van burgerlijke, strafrechtelijke en disciplinaire immuniteit, als de melding aan de CFI te goeder trouw gebeurt;

- geen enkel lid van de entiteit het bestaan van de melding aan de CFI mag onthullen, noch aan de betrokkene, noch aan derden.

Bijkomende informatie is te vinden in de Toelichting van de CFI[1] en op de website van de CFI. Op die website is ook het meldingsformulier te vinden.

 

[1] Toelichting voor de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten met betrekking van de melding van informatie aan de cel voor financiële informatieverwerking.